Sociëteiten te Utrecht in 1884
In 2009 verscheen bij uitgeverij SPOU (www.spou.nl) een boekje over de geschiedenis van de toen 140jarige sociëteit De Vereeniging in Utrecht. Wat daarin niet kòn worden opgenomen -capaciteitskwestie - was een vrij uniek overzicht uit 1884 van het Utrechtse sociëteitenlandschap waarin 'De Vereeniging' volop was ingebed. Geniet van het relaas, dat tevens heel onbekende facetten van de stadsgeschiedenis van Utrecht belicht. Over knokpartijen tussen Patriotten en Prinsgezinden bijvoorbeeld. En over heulen met de keizer.
Sociëteiten zouden saai zijn? Gewis en waarachtig niet.
Over Utrechtse sociëteiten rond het jaar 1884
Sociëteit De Vereeniging (www.vereeniging.nl), bloeiend en qua ledental nog steeds groeiend, behoort tot een oude en omvangrijke familie van tientallen Utrechtse sociëteiten waarvan het begin in de tweede helft van de 18e eeuw valt te traceren. Hoe die ‘familie’ eruit ziet, wie wat is (of eigenlijk was), waaruit ‘telgen’ zijn voortgekomen, wat onderlinge verbanden precies waren en ook waar deze sociëteiten gevestigd waren?
Dit is fijnzinnig uit de doeken gedaan in een tweedelig krantenfeuilleton dat in 1884 werd gepubliceerd in het toenmalige Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad. De titel ervan luidt ‘De Societeiten te Utrecht’. Het uitgebreide artikel geeft tegelijk een goed beeld, wat de stad Utrecht betreft, van soms zeer dramatische ontwikkelingen zoals deze zich zowel voor als tijdens de Franse bezetting van ons land (1796-1813) hebben voorgedaan.
De auteur van het anonieme artikel is vrijwel zeker de prominente Utrechtse jurist, advocaat, liberaal politicus en wethouder Jonkheer Johan Ludwig Bernard de Muralt (1818-1889) geweest. De Muralt was telg van een vooraanstaand Zwitsers adelsgeslacht. Zijn vader, een hoge militair, vestigde zich met zijn gezin in het vroeg-19e-eeuwse Nederland en bleef er voorgoed.
De Muralt junior studeerde rechten aan de Utrechtse universiteit, maar excelleerde aanvankelijk vooral als actief deelnemer aan het vrolijke studentenleven. De opening van een studentensociëteit aan het Wed – waarover in het artikel melding wordt gemaakt – moet vooral aan hem persoonlijk te danken zijn geweest.
Vanwege misbruiken bij het ontgroenen in het studentencorps ontwierp De Muralt een nieuwe, meer democratische senaatswet waarmee hij een einde wilde maken aan de klakkeloze functiebekledingen binnen het corps door telgen van oude vooraanstaande Utrechtse families met hun hechte, ondoordringbare vriendencoterie. Hierin verraadde zich een klassiek-liberale natuur, wat in het verloop van De Muralts verdere leven vaker tot uitdrukking zou komen.
Uiteindelijk studeerde hij eind 1845 aan de universiteit cum laude af. Vervolgens werd hij advocaat bij het Provinciaal Gerechtshof, werd er plaatsvervangend-rechter. Een aanstelling tot rechter aan het Hof in Utrecht (stad) in 1860 ging aan zijn neus voorbij: hij was inmiddels een ‘te politiek figuur’ geworden.
In een stedelijke context waarin deftig-conservatisme, met zijn als in beton gegoten rangen en standen, en orthodox-protestantisme (idem dito) de boventoon voerden – de verstrekkende Grondwetswijziging uit het Europese revolutiejaar 1848 en de vernieuwende wet- en regelgeving die hieruit voortvloeide leek aanvankelijk nauwelijks vat te hebben op politiek, openbaar bestuur, maatschappelijke leven en sociale verhoudingen in de stad – is hij de voortrekker geweest van een gestage doch onomkeerbare cultuurverandering. De Muralt, liberaal tot en met, is hiervan het ‘gezicht’ geworden.
In de loop van de negentiende eeuw zou de burgerij, met voorop fabrikanten (van producten die op basis van mechanische maakwijzen tot stand kwamen: een novum toen) en een steeds groeiende groep van fabrikanten en kooplieden, steeds sterker op de voorgrond treden. Onder hen groeide steeds sterker de ambitie om intensiever aan het maatschappelijke leven, zeker ook wat betreft verantwoordelijkheden voor het openbare bestuur, deel te nemen.
Zo wist De Muralt de Handels-societeit (zie in het artikel) en de Kamer van Koophandel en Fabrieken – dat toentertijd de kenmerken had van een soort sociale gemeenschap – tot politieke machtsblokken te formeren die onder de naam Utrechtsche Kies-Vereeniging geleidelijk meer invloed kreeg in het Utrechtse stadsbestuur. Dit was dus ruim voordat de factor-politieke partij hoofdrolspeler in het democratisch-politieke spel werd. De Muralt kwam als raadslid, en op een gegeven moment zelfs als wethouder, vrijwel constant op voet van oorlog te staan met de aarts-conservatieve en apert autocratisch opererende burgemeester van Utrecht, Nicolaas Kien. Sociale kwesties, zoals de hemelschreiende armoede in het Utrecht van de tweede helft van de 19e eeuw ging de Utrechtse liberaal bevlogen te lijf, o.a. met aparte woningbouwprogramma’s voor ‘arbeidenden en minvermogenden’.
Indien het woord ‘netwerken’ in het 19eeeuwse Nederland op iemand van toepassing is geweest was dat op energieke Freigeist Jonkheer de Muralt. Hij was bestuurder van de Utrechts Kies Vereniging (tevens oprichter), de Kamer van Koophandel, de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, verenigingen tegen dierenmishandeling en voor sociale woningbouw. En… bestuurslid van de sociëteiten Sic Semper en De Vriendschap: vandaar de uitgebreide ‘dieptebeschrijvingen’ van beide, ooit zo sterk elkaar politiek beconcurrerende sociëteiten in zijn artikel; hij kende beide groepen immers van binnenuit.
- De tekst van het krantenartikel is vrijwel identiek aan de publicatie uit 1884 zelf. De betreffende spelling, die voor die tijd vrij vlot moet zijn geweest, is gehandhaafd.
- In de zinsconstructies, die soms wat oeverloos lijken, is niets veranderd. Alleen is de tekst omwille van de leesbaarheid opgedeeld in kortere alinea’s en zijn hier en daar tussenkoppen aangebracht.
Utrecht, juli-augustus 2009/2010 - Rob van der Hilst
-------------------------------------------------------------------------------------------------
DE SOCIETEITEN TE UTRECHT (1884)
(……)
Om tot de sociëteiten terug te keeren, welke hier voor het eerst in de tweede helft der vorige eeuw zijn opgericht, hun aantal is, gedurende de woelingen van de patriotten en prinsgezinden van 1780 tot 1805, in korten tijd zeer toegenomen; zij hadden dan ook allen eene meer of minder staatkundige strekking; meest allen behoorden tot de partij der omwenteling.
In 1775 hadden wij hier reeds de societeit “Sic Semper”, in 1781 de societeit “de Eendracht” in de grote kamer van het Maliehuis, in 1786 de burger-societeit “Concordia” op de Mariaplaats in de Blauwe Druif, waarin zij in Januari 1786 een groot feest, ter gelegenheid van de alliantie met den koning van Frankrijk, heeft gevierd, waarbij haar het gebruik van een gedeelte van de Mariaplaats was toegestaan; in 1787 de societeit “Concordia Crescit” in het Maliehuis en de “Oranje Societeit” in het huis Paus Adriaan op de Oudegracht, door den notaris van Schalkwijk à Velden opgericht, alwaar door de patriotten de glazen werden ingeslagen, zoodat de societeit, “als samengesteld uit vijanden van de nieuwe orde van zaken en gevende aanleiding tot oproer en ongeregeldheden”, door het stadsbestuur werd geïnterdiceerd en ontbonden verklaard.
In 1787 de burger-societeit “Concordia”, gehouden op de Breestraat in het huis met het IJzeren Hek, van de erven d’Ablaing van Nieuwerkerk, op 27 September 1787, na den intocht der Pruisen door het herstelde stadsbestuur uiteengedreven, met inbeslagneming van het buffet en de voorhanden dranken, - in 1795 is zij hersteld, na den intocht der Franschen, om al de afgetreden regenten in arrest te nemen; zij verwekte echter zooveel onrust, dat de generaal Pichegru, haar voorzitter mr. J. van Lidth de Jeude, met den secretaris der societeit liet vastzetten -; de societeit “de Eensgezindheid”, welke in Maart aan den opperbevelhebber der Franschen armee, den generaal Pichegru en aan den Franschen gezant Ramel een luisterrijk feestmaal heeft aangeboden; de “Vaderlandsche Societeit” en de “Volks-Societeit” voor eendracht en het algemeen welzijn, in 1793 ontbonden, op de Oudegracht over de Bezembrug, waarvan mr. J. van Lidth de Jeude ook voorzitter was, en welke door hare overdreven eischen tegen de Oranjegezinden, het weder zoo lastig maakte, dat de Fransche gezant Richard, in Juli aan het stadsbestuur in overweging gaf, om dien voorzitter, met den secretaris in hechtenis te nemen, zich in het algemeen beklagende over de clubs, welke zich al meer en meer aanmatigden en zelfs een adres aan het Fransche leger hadden durven richten.
In 1796 de societeit de Bataafsche broederschap “Concordia”. De societeit en gaarkeuken van het Fransche hoofdkwartier, werd in 1797 gevestigd in het huis van den heer H. van Vloten op het Janskerkhof, op den hoek van de Stammetsbrug en omstreeks 1800 de sociëteiten het “Constitutioneel gezelschap” en de “Harmonie”aan de noordzijde van de Maliebaan in den tuin: constant pour la Patrie.
In September 1795 werden alle societeiten verplicht de namen van hare leden en geïntroduceerden aan den Algemeenen aanklager op te geven en in Februari 1798 werd besloten alle Oranjegezinde societeiten te doen sluiten.
Van al de opgenoemde societeiten bestaat in Utrecht alleen nog maar de oudste, nl. de societeit Sic Semper, welke door alle partijen heen zich steeds heeft staande weten te houden, en alleen onder Keizer Napoleon, door den onder-prefect met opheffing bedreigd is geweest, toen hare leden voornemens waren, om den door den Keizer benoemden Maire van de stad, als lid der societeit voorgesteld, af te wijzen, als zijnde een voornaam leider of aanhanger geweest van de partij, welke hier in 1786 en 1795 aan het bewind was gekomen.
Bij nadere overweging werd hij als lid zonder ballotage toegelaten, doch heeft nimmer een voet in de societeit gezet.
Sic Semper
De societeit Sic Semper had haar oorsprong te danken aan eenige oneenigheden onder de heeren, die gewoonlijk het Maliehuis frequenteerden en zich in Januari 1775 afzonderden en ten huize van den kastelein Willem Barkemeijer, op den oosthoek van de Pieterstraat en het Pieterskerkhof, op het voorbeeld van andere steden, eene societeit oprichtten welke aanvankelijk zich zoo uitbreidde, dat commissarissen in Augustus 1776 gemachtigd werden, om voor de societeit aan te koopen en in te richten twee huizen op den hoek van de Runnebaan en den Trans, met een huis daarachter in den Trans. (…)
De societeit Sic Semper werd na 1787 in de wandeling ook wel genoemd de Oranje-Societeit, omdat zij in 1787, na de sluiting van de in 1786 opgerichte Oranje-Societeit, en na 1795, de eenige societeit in de stad was, waarin de voorstanders van het voormalig stadhouderlijk bewind of de tegenstanders van de nieuwe orde van zaken werden opgenomen. Tot groote ergernis van de patriotten, die er zich openlijk over beklaagden, maakten Fransche generaals, hoofd- en andere officieren er evenwel na 1795 ook gebruik van, en na ontbinding van het intermediair bestuur in Februari 1803 (grootendeels omdat er grof gespeeld werd) ook de leden en ambtenaren van de landsdepartementale en gemeentebesturen, en evenzoo in 1806 en volgende jaren, onder koning Lodewijk Napoleon, werden de deuren van de societeit voor alle personen, die tot de hier in het laatst van 1807 gedurende eenige maanden gevestigde koninklijke hofhouding behoorden De societeit Sic Semper, ofschoon zonder eenigen politieken invloed, werd ten allen tijde, zoals zij nu nog is, beschouwd als de voornaamste; zij heeft ook de meeste leden en men betaalt er de hoogste contributie. Voor eenige jaren was er aan het lidmaatschap nog verbonden het genot der buiten-societeit, naast het Park Tivoli, door haar in 1855 opgericht, in gemeenschap met de societeit de Vriendschap, van welke gemeenschap zij evenwel in 1858 afstand heeft gedaan, zoo dat de societeit de Vriendschap de buiten-societeit alleen heeft gehouden tot in 1880, toen deze weder bij het Park Tivoli is getrokken.
De Vriendschap
Na de societeit Sic Semper volgt de societeit de Vriendschap in de Keistraat, op den hoek van den Jansdam als de oudste, zijnde in 1812 opgericht, ofschoon zij in werkelijkheid meer is geweest eene voortzetting in hetzelfde locaal van de in het revolutionair tijdvak meest betrokken en invloedrijkste societeit “de Eendracht”. Deze societeit werd in 1781 opgericht, in de groote kamer van het Maliehuis, van waar zij in 1784, nadat haar aanzoek tot verbouwing van het Maliehuis door de Vroedschap, om de groote kosten was afgeslagen, naar elders is verplaatst. Zij kocht in 1784 van mevr. de wed. van Dam, een tuin, met huis, koepels, enz. aan de zuidzijde van de Maliebaan, welke op 4 Juni 1785 aan de societeit werd overgedragen op naam van haar commissaris, den heer C. Achterberg tot dat het perceel, volgens besluit van 31 Januari 1803, na diens dood, op naam van de gezamenlijke leden van de societeit “de Eendracht” werd overgeschreven.
De naam van societeit “de Eendracht” wordt dikwerf in de geschiedrollen van dien tijd vermeld; zij werd druk bezocht door de leden van de vroedschap, die tot de volkspartij behoorden, en van de daaropvolgende gewestelijke en gemeentelijke besturen. B.F. von Liebeherr en P.P.J. Quint Ondaatje, waren, er geruimen tijd de grootste redenaars.
De societeit “de Eendracht” kocht in 1795 het huis, met stalling en tuin, gelegen op de noordwesthoek van de Keistraat en den Jansdam, toebehoorende aan de erven van wijlen den burg. Mr. N. Kien, dat geheel werd verbouwd en voor het beoogde doel ingericht.
De societeit verkeerde in dat Gebouw lange jaren in steeds bloeienden toestand, maar na de komst van Lodewijk Napoleon ging zij aanmerkelijk achteruit, omdat vele leden, tengevolge van de veranderde politieke omstandigheden, de stad hadden verlaten, zoodat op 28 September 1811 tot de ontbinding van de societeit moest worden besloten en tot den verkoop van het gebouw in de Keistraat en van de buiten-societeit in de Maliebaan werd overgegaan. De leden J. de Leeuw, redacteur der Utrechtsche Courant, Willem Testas, municipale raad, Johannes Nagtglas en Gerardus Hendrikus Stevens, keizerlijke notarissen, werden met de likwidatie belast.
Bij de publieke verkooping, op 7 December 1811, werd het huis in de Keistraat aangekocht door drie leden van de ontbonden societeit, de heeren mr. A.G.Smith, rechter van instructie, Herman Huizinga van Vliet, rentenier en J. de Leeuw, waarop door hen besloten werd in het gebouw in de Keistraat een nieuwe societeit op te richten, en daaraan de naam ter geven van: “de Vriendschap”, terwijl de kastelein van “de Eendracht”, Theodorus de Wijs, te gelijk weder werd aangesteld tot kastelein van “de Vriendschap”.
Nadat de zaak weder in goeden gang was gebracht, werd in Nov. 1814, het gebouw door de koopers ook aan dezen in eigendom overgegeven. Bij het overlijden van kastelein de Wijs, in 1828, werd het gebouw verkocht aan den heer G. Klanck , van wiens erven de societeit “de Vriendschap”, welke er onafgebroken is gevestigd geweest, het in 1866 heeft aangekocht, om geheel gesloopt en door een nieuw gebouw vervangen te worden.
Na de oprichting van de societeit “de Vriendschap” werd deze grotendeels bezocht door burgers, kooplieden, fabrikanten en ambtenaren, alsmede door officieren van het garnizoen, die er allen lid van waren, omdat aan de societeit, tegen eene lage contributie, ook de buiten Societeit aan de Maliebaan verbonden was, vroeger van “de Eendracht”, en in 1811 mede door eenige leden en later door de heer de Vree aangekocht, waardoor het vroeger verband is blijven bestaan, dat later gewijzgid werd, toen de societeit “Buitenlust” als afzonderlijke vereeniging werd beschouwd en voor al de officieren opengesteld, hetgeen heeft voortgeduurd tot in 1855, toen door de oprichting van de zomer-societeitslokalen eener buitensocieteit, gemeenschappelijk door “Sic Semper” en “de Vriendschap”, de vroeger zoo bloeiende societeit “Buitenlust” spoedig zoozeer terugging in aantal leden, dat zij eindelijk voor eenige jaren is ontbonden en thans in eigendom overgegaan aan den Heer F.J.Smit, die de lokalen en den tuin voor het publiek als koffiehuis en restauratie en het houden van feesten heeft opengesteld, terwijl dezen zomer ook de Schutterij muziek daar abonnementsconcerten geeft.
Placet hic requiescere Musis
De derde societeit in ouderdom is de Studenten Societeit Placet hic requiescere Musis, in 1815 opgericht, na de terugkomst van de vrijwillige Studentenjagers, die den veldtocht naar Frankrijk hadden meegemaakt. Aanvankelijk werd de societeit gehouden in een locaal van het nieuwe Hollandsche Koffiehuis, onder den Dom, dat spoedig te klein werd, zoodat de Societeit werd overgebracht naar de bovenlokalen van het koffiehuis, thans het Lutherse Weeshuis, waar vanouds het wapen van het Keizerrijk had uitgehangen, ten noorden van het Domplein, toebehoorende aan den heer G. Klanck, die het in 1836 heeft verkocht aan den heer J. Pijtak.
In 1839 besloten de leden naar een ander lokaal om te zien en werd eene overeenkomst aangegaan met den heer F. Rijser, die aanbood het lokaal den Ouden Bak in het Wed, dat geheel in verval was, aan te koopen en daar een geheel nieuw societeitsgebouw te laten zetten, welk gebouw (thans het Militair Tehuis) op 5 Dec. 1840 feestelijk werd ingewijd.
De inrichting voldeed aan de nieuwste eischen, niet alleen voor de societeit, maar bovendien ook voor het publiek; beneden in het Café Restaurant Suisse werd open tafel gehouden en restauratie, zoowel bij dag als bij nacht.
Na het overlijden van den kastelein Rijser vond zijn opvolger bezwaar, om de zaak, op den bestaanden voet met de Studentensocieteit voort te zetten, zoodat de Societeit na eenige jaren weder werd verplaatst naar de noordzijde van het Domplein en wel in een vroeger aan de stad behoord hebbend perceel, het huis Themaat.
Dit huis, in 1807 door het Rijk aangekocht en later voor bibliotheek aan de Stad overgedragen, was een paar huizen van de in 1840 verlaten societeit verwijderd en werd door den heer D. de Leur, die het van de stad had aangekocht, voor de Studenten-Societeit verbouwd en in orde gebracht. In de laatste jaren is de eigendom van dat perceel overgegaan aan wijlen den Baron van Boetselaer en het voornemen is thans, om de Societeit over te brengen naar de door de Societeit zelve aangekocht en nog in te richten gebouw aan den noordzijde van de Mariaplaats, naast de Societeit De Vereeniging (Zie het hoofdartikel in ons nummer van 21 Februari jl.).
Leesmuseum
De vierde inrichting is het Leesmuseum, veel overeenkomsten met eene societeit hebbende, ofschoon er niet gespeeld wordt, het lokaal ’s avond om tien uur wordt gesloten en het gebruik van ververschingen er tot de uitzonderingen behoort.
Het Leesmuseum is gevestigd in een daarvoor door de stad, bij gelegenheid van het tweehonderdjarig eeuwfeest der Hoogeschool, in 1836 ingericht gebouw, dat aan het nieuw opgerichte Leesmuseum, in het belang der Academie ten gebruike is afgestaan, opdat men er zou vinden de meest belangrijke nieuws-, dag- en weekbladen en tijdschriften, hetzij ten behoeve van de Bibliotheek aangeschaft of weederkerig door het Museum daaraan later is afgestaan.
Tevens zou er gelegenheid worden gegeven, om nuttige lezingen over wetenschappelijke of andere onderwerpen bij te wonen; deze lezingen zijn evenwel in de laatste jaren achterwege gelaten, daar toch sedert de oprichting van het Leesmuseum in een aantal vereenigingen lezingen of voordrachten van allerlei aard gehouden worden, en de meeste leden liever geregeld en ongestoord het nieuws konden lezen, dat de dag oplevert.
Overigens voldoet het Museum aan alle eischen, en biedt zijne bezoekers eene aangename verpoozing aan. De contributie is veel lager dan in de gewone societeit en bedraagt slechts 12 gulden. Het “Leesmuseum” heeft gedeeltelijk vervangen eene hier, na 1815, op den Drift opgerichte vereeniging, genaamd “het Museum”, laatstelijk gevestigd aan de Nieuwe Gracht in de Hofpoort, waarvan de meeste Professoren en wetenschappelijke mannen lid waren; deze vereeniging is echter, na het overlijden van enkelen der meest getrouwe bezoekers, opgeheven.
De Vereeniging
In de vijfde plaats volgt de societeit de Vereeniging, in 1870 opgericht in de bovenzaal van den schouwburg, bij den heer J. Wolters, en in 1872 overgebracht naar een door de societeit aangekocht perceel, aan de noordzijde van de Mariaplaats, door aankoop van woning, koepel en tuin van den heer Mr. de Kock, waar een groote en fraaie zaal in den voortuin, aan de straat, tegen de botermarkt aan, is gebouwd. Deze societeit, welke het genot van een tuin met kegelbaan aanbiedt, verkeert in bloeiende toestand, en wordt voornamelijk bezocht door burgers, kooplieden en fabriekanten.
Jungit Junctos et Servat Amicos
De Studenten, niet behorende tot het Studentencorps, hebben in 1882 onderling ook een Societeit opgericht, bekend onder den naam: “Jungit Junctos et Servat Amicos” in de bovenzaal van het Café restaurant van den heer G. W. van Schalkwijk achter St. Pieter.
Handels-Sociëteit
Er bestaat hier bovendien ook eene Handels-Societeit, welke in Januari 1852 werd opgericht, in den achterzaal van den Nieuwen Bak, later overgebracht naar het Café Restaurant in het Wed, en sedert de laatste jaren in de bovenzaal van de Societeit de Vriendschap in de Keistraat vergadert, doch deze is minder, wat men gewoonlijk onder eene societeit verstaat, dan wel, eene vereeniging, uitsluitend samengesteld uit handelaren en fabrikanten, die geregeld een paar avonden in de maand samenkomen, tot behandeling van onderwerpen op handel en fabriekswezen betrekking hebbende en wier ledental beperkt is.
Koophandel
Een vroeger hier bestaan hebbende societeit, de Koophandel, in 1814 opgericht, is als zoodanig reeds voor 40 jaren te niet gegaan; een tijd lang vereenigden de leden zich nog een avond in de week, in de societeitszaal bij het Eloijengasthuis, doch ook dat heeft opgehouden.
Voorzorg
Men vindt nog vermeld de Societeit Voorzorg, als in 1827 opgericht, en zoo bestaan er wellicht nog meer kleine vereenigingen.
Kunstkring
In het najaar van 1883 is eene societeit de Kunstkring opgericht, thans ongeveer 100 leden tellende. Haar doel is een vereenigingspunt te vormen van beoefenaars der letteren en schoone kunsten. Zij komt op enkele dagen der week bijeen in het lokaal boven de Vriendschap.
Tot slot
Wij meenen hiermede onze mededeelingen betreffende de societeiten te mogen besluiten. Na de lange inleiding, welke men meer als een geschiedkundige bijdrage moet beschouwen en die samengetrokken is uit verschillende oude bescheiden en latere opgaven, zal men onze meening bevestigd vinden, bij den aanhef uitgesproken, dat er te Utrecht, eene stad van ruim 72.000 zielen, betrekkelijk weinig eigenlijke societeiten bestaan, veel minder dan in andere steden, hetgeen gedeeltelijk kan worden toegeschreven aan de talrijke koffie- en bierhuizen en aan de inrichting van Tivoli, welke thans voor velen eene societeit vervangt en dat dit voor heeft boven de gewone societeit, dat men er ook met zijn gezin kan komen.
-----------------------------------------------------------------------------------------------
Toelichting
Het overzichtsartikel van De Muralt bevat een aantal elementen die toentertijd (1884) vrij vanzelfsprekend waren, maar die dit nu allerminst zijn. Daarom enkele verduidelijkingen.
Allereerst wat betreft enkele latijnse sociëteitsnamen:
- Sic Semper = ja altijd. Of beter: opdat het altijd zo zal blijven (namelijk het huis van Oranje-Nassau)
- Concordia = de eendracht
- Concordia crescit = door eendracht groeit het.
- Placet hic requiescere Musis = hier willen de Muzen tot rust komen (de oude naam van het Utrechtsch Studenten Corps)
- Jungit Junctos et Servat Amicos = Zij (= de sociëteit) verbindt de leden en bewaart de vriendschap. Deze sociëteit heet de voorloper te zijn van studentensociëteit S.S.R. (Societas Studiosorum Reformatorum, oftewel sociëteit van protestantse studerenden)
Runnebaan: naam van de afscheiding van een voormalige immuniteit, tot 1890 de naam van het huidige stukje Nieuwegracht 1 t/m 27.
B.F. von Liebeherr en P.P. J. Quint Ondaatje: militante voorpersonen van de Patriottistische beweging tegen het einde van de 18e eeuw.
Leesmuseum: vroege vorm van het openbare bibliotheekwezen. Omdat kranten lange tijd onder het belastingregime vielen (en daardoor kostbaar waren) bood het Leesmuseum, met zijn lage contributie, aan burgers de kans om toch vrij gemakkelijk kennis te nemen van het nieuws. Van lezen kwamen al gauw lezingen, waardoor dit type sociëteit een vrij serieus karakter had, zelfs wetenschappelijk van aard werd.
<einde>
Recensies
Recensies