Kerstconcert uit Concertgebouw van zeer wisselend niveau
De traditionele Kerstmatinee door het Koninklijk Concertgebouworkest uit Amsterdam, op Eerste Kerstdag, stond dit jaar in het teken van werk van laat-romanticus Richard Strauss. Onder leiding van Bernard Haitink, de 82jarige eredirigent van het orkest, weerklonken Strauss' 'Vier letzte Lieder' en zijn grootse Eine Alpensinfonie. Op het eerst gezicht een sterk programma voor bij de Kerstboom thuis - ik volgde het concert via Radio4 - maar waarbij de klinkende werkelijkheid op zijn zachtst gezegd nogal achterbleef...
Debussy-serie Radio4 van start
RADIOCONCERT - Omdat bij (live-)radiouitzendingen van concerten er nu eenmaal méér thuisluisteraars getuige van zijn dan de bezoekers in de betreffende concertzaal, zal ik in deze website-rubriek regelmatig recensies over radioconcerten publiceren.
'Beoordelende muziekjournalistiek' is sinds de 1980er jaren een van mijn beroepsmatige activiteiten. Veel leesplezier en, als het even meezit, inspiratie toegewenst!
Concertorgel en concertvleugel op en af in Haarlem
Een béétje concertzaal beschikt over een groot concertorgel. Het Concertgebouw in Amsterdam en in Haarlem beschikken reeds lang over zo'n normale concertvoorziening. En ook moderne concertzalen, zoals in Enschede en Eindhoven, rekenen het tot hun standaarduitrusting.
Gek genoeg is dit niet het geval in de Dr. Anton Philipszaal in Den Haag en de grote zaal van het thans in verbouwing verkerende Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht. Hierdoor is de artistieke bruikbaarheid (en exploitatie) van deze concertzalen een stuk minder dan van zalen die wél over zo'n groot, aan de vloer vastgenageld muziekinstrument beschikken.
Een concertorgel is in wezen een gewoon pijporgel zoals wij deze ook uit kerkgebouwen kennen. Dat is dan ter begeleiding van de gemeentezang en de koorzang. Met een concertorgel is echter iets anders, iets bijzonders aan de hand: het muziekinstrument staat in ettelijk honderden orkestpartituren voorgechreven - zoals Mahler's Tweede en Achtste, Tsjaikovsky's Manfred-symfonie en Janancek's Taras Bulba - als een apart orkestinstrument met een onverwisselbaar eigen geluid. Omdat dit orgelgeluid op mechanische wijze wordt voortgebracht, via grote blaasbalgen, klinkt het dan ook 'strakker' dan de klank van vrijwel alle overige orkestinstrumenten die per stuk door bewegelijke mensenhanden (strijkers) en mensenadem (hout- en koperblazers) gerealiseerd worden.
Eigenlijk is zo'n concertorgel een heel geluidenpakhuis, die in het ene geval een enorme variëteit aan klanksoorten kan weergeven: geluiden die alle andere orkestinstrumenten niet kunnen reproduceren. En die in het andere geval als een soort tweede orkest fungeert, vaak ter versterking van de volle orkestklank. Wie zich het slot van Mahler's Tweede ('Auferstehung') voor de geest haalt weet waarover ik het heb.
Haarlem
Afgelopen zondagavond (13 maart 2011) zond Radio4 de opname uit van een concert dat enkele weken eerder was gehouden in het Concertgebouw in Haarlem. Ik keek er aanvankelijk van op: dat de Publieke Omroep zo-maar zijn 'eigen' Concertgebouw - dat in Amsterdam dus - in de steek had gelaten. Het lijkt wel of die Hilversumse omroeplui zowaar in de gaten krijgen dat buiten de chique muziektempel aan de Mokumse van Baerlestraat zeer interessante en artistiek buitengewoon relevante muziekuitvoeringen plaatsvinden. Maar, beter laat dan nooit moet u maar denken.
Op het orkestpodium van de grote zaal van het Haarlemse Concertgebouw hadden slechts twee musici plaatsgenomen: Haarlem's stadsorganist en rasmusicus Jos van der Kooij die, op het ene moment, het grote concertorgel van de 19de eeuwe Franse orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll bespeelde. En op het andere moment de jonge pianist Hannes Minnaar, die in het afgelopen jaar winnaar werd - laureaat - van het prestigieuze Koningin Elisabethconcours in Brussel, op een slagschipse concertvleugel.
Het programma bood een aantrekkelijke mengeling van muziekstukken die dezelfde literaire achtergrond hebben - zoals Van der Kooij die uit Louis Vierne's 24 Pièces de fantaisie het 'Claire de lune' speelde, gevolg door het pianospel van Hannes Minnaar met Claude Debussy's gelijknamige compositie- dan wel die afkomstig zijn van componisten die in het ene geval voornamelijk (zoals César Franck) dan wel incidenteel (zoals Franz Liszt) als 'orgelcomponist' te boek staan.
Dit nu, die later opgeplakte exclusieve orgelidentiteit, werd in het programma galant onderuit gehaald. Dus de verheven en betoverend mooie Prélude, Choral et Fugue voor piano van César Franck en niet diens lyrische Prélude, Fugue et Variation voor orgel. En dus ook de eigen latere pianoversie van Franz Liszt's Praeludium und Fuge über BACH en niet de oervorm voor orgel ervan.
Strelen
Het pianospel van Hannes Minnaar was - zoals vorig jaar via de radio- en televisieuitzendingen vanuit Brussel al te beluisteren viel - van een ongelofelijke helder- en toetstrefzekerheid waarbij in de uitdrukking sprake was van warm-nuchtere lyriek (kent u ook het probleem van achteraf goede, doeltreffende woorden vinden voor wat tong en gehemelte streelde?). Jos van der Kooij die hiervoor nauwelijks onder, maar waarin hij wel de monumentale kracht van het 'tweede orkest' van de grote concertzaal, dat Cavaillé-Collorgel, goed in toom wist te houden.
Denderen zonder eind kan al heel gauw op een (concert)orgel: vandaar dat filmregisseurs die klank zo graag gebruiken als achtergrondjes in enge films.
Jammer dat op de website van Radio4 geen enkel gegeven van dit bijzondere concert is gepubliceerd. Helaas weer een krasje op het toch al niet kwalitatief-ongebutste Radio4-blazoen.
Rob van der Hilst
Mahler dubbelsterk in Amsterdam
Een 'componistenjaar' is een prachtige uitvinding van het professionele concertbedrijf. Uit het enorme repertoireaanbod van pakweg zeven eeuwen klassieke muziek wordt dan een 'jarige', tot de verbeelding sprekende componist gevist - bijvoorbeeld vanwege diens 100ste geboortejaar of 250ste jaar van overlijden: mooie getallen dus - wiens muziek dan in de programmering van een jaar of seizoen (van september tot september) eens extra aan bod komt.
Het voordeel hiervan is, dat zoiets voor de luisteraar-muziekliefhebber richting geeft om zich niet alleen op een minofmeer geconcentreerde manier te kunnen laven aan het moois dat in veel gevallen al bekend bij hem of haar is. Maar ook om de eigen muzikale smaakpapillen weer eens op orde te kunnen brengen, want de enorme repertoireomvang van de klassieke muziek toch.
Het nadeel van componistenjaren is - in dit speelt zeker in het vorige Mahlerjaar (de beroemde componist Gustav Mahler werd in 2010 honderdvijftig jaar eerder geboren) en in het huidige Mahlerjaar (in 2011 staat centraal dat hij honderd jaar geleden stierf) - dat het qua aanbod alleen maar om het centrum ervan gaat: Mahlers muziek. Zijn oeuvre dus losgezongen van de culturele context waarin het ooit, geleidelijk, ontstond.
Gustav Mahler verkeerde immers in een omgeving van actief muziekscheppen door anderen, vrienden die hem diepgaand beïnvloed hebben. Zoals zijn: Anton Bruckner (met 'half genie, half idioot' meende hij zijn universitaire docent in de muziektheorie eens te moeten kwalificeren: wat eerder de asymetrische persoonlijkheid dan de geniale componist Bruckner gold), Hans Rott (wiens enige symfonie Mahler de weg wees naar de symfonie als zegmaar 'psychologisch verhaal') en Hugo Wolf (die Mahler het gras voor de voeten leek weg te maaien op het gebied van poëzie op muziek).
In de levensgeschiedenis van Mahler was Amsterdam een belangrijk adres. Omdat ons land zich pas vrij laat - na het midden van de 19de eeuw - een symfonische orkestcultuur van volwassen en in artistiek opzicht serieus te nemen aard en omvang verschafte, en er dus ook behoefte ontstond aan zeer goede eigentijdse muziek, kon de eertijds niet-onomstreden vernieuwer Mahler hier vrij gemakkelijk voet aan de grond krijgen. Wat alles te maken had de inzet voor hem en zijn kunst van de eertijds briljante, ambitieuze en gezaghebbende musicus Willem Mengelberg, chef-dirigent van het toen nog kersverse Concertgebouworkest in de hoofdstad.
Amsterdam en met name het Concertgebouw waren voor Mahler aanvankelijk zelfs de enige plek waar hij en zijn kunst vrijwel onaangevochten gewaardeerd werden. Het was dan ook dáár dat vele (niet alle) symfonische muziek van hem zijn Nederlandse première beleefde. Vandaar dat voor de Mahlerjaren 2011 en 2012 het Amsterdamse Concertgebouw de perfecte plek is om de muziek van de laatste grote vertegenwoordiger van de 19de eeuwse Duitse romantiek, tevens bruggenbouwer naar de Nieuwe Muziek die reeds voor 1900 tot stand kwam (de 'Tweede Weense School' onder aanvoering van Arnold Schönberg), pontificaal voor het voetlicht te brengen.
Amsterdams-dubbel
Afgelopen zondag (6 maart 2011) was dit o.a. het geval met de uitvoering van zelfs twéé symfonieën van de componist. Het Orkest van het Oosten voerde 's ochtends onder leiding van zijn chef-dirigent Jan Willem de Vriend Mahlers 'Symfonisch gedicht in twee delen Der Titan' uit: een vijfdelige compositie die de componist later zou omwerken tot zijn officiële Eerste Symfonie (in vier delen). Mahler had daarvoor reeds, in een fase van het zoeken naar en proberen te vinden van een eigen vorm in het sinds Beethoven zo beladen genre, drie (ongenummerde) symfonieën gecomponeerd.
En 's middags voerde het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van zijn chef-dirigent Mariss Jansons, met zeven solisten, twee omvangrijke gemengde koren, drie kinderkoren, zeven solisten en een fikse orgelpartij Mahlers 'machtsgreep naar de hemel' uit: zijn enorme Achtste symfonie, in twee delen, die de bijnaam 'Symphonie der Tausend' heeft.
Wat de laatstgenoemde uitvoering betreft: duizend musici kwamen er in het Amsterdamse Concertgebouw niet aan te pas, zo las ik op de website van Radio4: dan hadden maar weinig bezoekers een plaats kunnen hebben in de grote concertzaal. Het waren er echter zo'n 340, waardoor zelfs uitbreiding van het podium noodzakelijk was.
Voor de geluidstechnici moet het een opgave van jewelste zijn geweest om de radio-uitzending van beide symfonieën zo optimaal mogelijk te laten klinken in Nederlandse huiskamers. Dat was wat betreft de Mahleruitvoering door het tachtigkoppige Orkest van het Oosten een minder grote opgave - orenschijnlijk - dan voor het enorme orkest- en zangapparaat waarmee 's middags de Symphonie der Tausend tot klinken kwam. Maar wat betekent 'zo optimaal mogelijk'?
Dit staat in de eerste plaats voor duidelijkheid. Niet het type duidelijkheid waardoor details wel zo auditief-sterk uitgeëtst worden dat het geheel als het ware in geluidsbrokken uiteenvalt. Maar helderheid om nuanceringen, de 'lijnen' die de betreffende dirigenten in de orkestklank aanbrengen, zo duidelijk mogelijk te laten horen. Wenst zo'n Maëstro op enig moment diffuze 'modder' te laten klinken omdat dit volgens hem (op grond van Mahlers partituuraanwijzingen) zo hoort, dan moet dit even helder in de huiskamer schallen als wanneer er subtiele momenten met een zelfs kamermuzikale inslag aan de orde zijn. Van het laatste was duidelijk sprake in de uitvoering van Mahlers Achtste waarin hemelbestormend klankgeweld en intiemste verinnerlijking soms pal naast elkaar staan. Mariss Jansons was daarom dan ook een Lucian Freud als een Johannes Vermeer. Lof dus voor de klankregie van beide live-radiouitzendingen.
Vergelijken
Wat betreft de uitvoeringen zelf: het is natuurlijk No Good Sport om de prestaties van het Orkest van het Oosten - incidentele gastspeler van het Concertgebouw - te vergelijken met die van het Koninklijk Concertgebouworkest dat de vaste (hoofd)bespeler van de grote concertzaal is. Laatstgenoemde partij is daaraan immers volstrekt gewend en wentelt zich automatisch in de bijzondere, excellente muzikaal-akoestische kwaliteiten van de concertlocatie. Voor een gastbespeler als het Enschedese orkest was dit niet aan de orde: het intoneren op de zaalakoestiek was dan ook zeker niet-onproblematisch. In Der Titanuitvoering waren af en toe kleine intonatiefoutjes te horen, die wel vliegensvlug hersteld werden. Dirigent de Vriend had duidelijk grip op zijn musici.
Maar wat beide Mahleruitvoeringen echt verbond was de enorme psychologisch-filosofische lading ervan - bij Mahler ontkomt geen mens daaraan: ingewijd of niet - waarbij het ene ensemble niet voor het andere onderdeed. Dit was eigenlijk 'de' verrassing voor mij en waarschijnlijk ook voor duizenden andere radioluisteraars overal in het land.
Wellicht zal dit reputatiegevoelige naturen als vloeken in de kerk zijn, maar er waren qua dramatische zeggingskracht - in zachte tot en met luide klankproducties, om maar iets meetbaars te noemen - nauwelijks verschillen op te merken tussen muzikale prestaties van het Orkest van het Oosten enerzijds en die van het Koninklijk Concertgebouworkest, een ensemble met een wereldreputatie, anderzijds.
Ik ben dus razend benieuwd geworden naar wat die op-en-top muzikale mensen uit Enschede daar in het hun eigen 'Muziekkwartier' zoal uitvreten door het jaar heen. Het zal voor vele radioluisteraars in nevelen gehuld blijven vrees ik aangezien de Publieke Omroep sterk op westelijk Nederland is georiënteerd en dan nog op Amsterdam, en wat klassieke muziekuitzendingen betreft op het Concertgebouw aldaar in het bijzonder.
Welkom terug!
Dat scheelt overigens een hoop gezever en tijdbesteding bijvoorbeeld wat het verkrijgen van perskaartjes betreft, het energieverslindende reizen ernaartoe en terug naar huis et cetera. Wat ik hierbij wel mis is gezelligheid van het verkeer in en om een concertzaal: iets waar concertzaalexploitanten zich meer en meer bewust van zijn trouwens.
De kale boel van het slechts aankomen, concerten-beluisteren en wegwezen, dat is allang voorbij: het is tegenwoordig een heel uitgaanspakket waarin concertzaalbezoekers terecht kunnen komen, als ze dit willen. Met dinertje vooraf, hapje en drankje in de pauze en Meet & Greet met de musici na afloop. Leuk, prima.
Ik deed muziek recenseren vroeger - en graag! - voor Trouw, Le Monde, het Utrechts Nieuwsblad en de GPDbladen, en kreeg daar meestal leuke, inspirerende reacties op. Ik had op een gegeven moment zelfs te maken met een echte Fan (die alles van mij uitknipte en daarvan in januari een Boek maakte: gedrukt zelfs!) en een echte Hater (van wie ik op elk dinsdag een lange rapportachtige brief kreeg over mijn tekortkomingen in de recensies van de afgelopen recensieweek). Dus op een of andere manier wist ik wel wat op te roepen bij lezers, hier vrij mild geformuleerd.
Gelet op de soms absolute flauwekul die ik geregeld op Radio4 hoor aan commentaren op klassieke muziek - wie precies voeren op de achtergrond de regie van die zender, welke onzichtbare omroepbazen spelen hun spel? - op het zegmaar weggglijden van klassieke muziekkritiek in kranten (absoluut dieptepunt: NRC) en andere bladen, wat nogal dodelijk kan uitpakken voor het gehele pakket-klassieke muziek. En dat klassieke muziek mijn grootste liefde in de kunsten is en, in mijn onbescheiden opvatting, als belangrijkste drager van Beschaving figureert dan begrijpt u wel dat oude tijden herleven.
Gewoon, omdat-het-moet en omdat uw dienstwillige dienaar het wil en het kan. Veel plezier. Mijn eerste digi-recensie verschijnt hier dezer dagen over de beide Mahleruitvoeringen die vandaag (zondag) in het Amsterdamse Concertgebouw hebben plaatsgevonden.
Recensies
Recensies